Gatenziekte
Gatenziekte
Gatenziekte is een van de meest voorkomende problemen bij het houden van discusvissen. symptomen van dit probleem zijn in eerste instantie het ontstaan van kleine gaatjes in de kop en in het gebied grenzend aan de zijlijn. De vis kan zich een vrij lange periode nog normaal gedragen, maar uiteindelijk wordt hij lethargisch en lijdt aan anorexia.Bijna alle beschrijvingen van deze ziekte komen uit de aquariumliteratuur en er zijn geen wetenschappelijke beschrijvingen van dit probleem.
Een hypothese is dat een hexamita achtig flagelaat welke aanwezig is als latente inwendige infectie zich versprijd zowel door vermeerdering als door versprijding door het bloed naarandere organen en de lichaamsholte. In een wat later stadium ontstaan dan de bekende gaatjes, eerst als speldekopgrote gaatjes waaruit een soort wit draadje kan komen waarin je de parasiten kan vinden onder de microscoop. Als deze gaten wat groter worden en op kleine kratertjes gaan lijken ontstaan vaak secondaire bacteriële infecties of schimmelinfecties, welke uiteindelijk tot de dood leiden. Hoewel hexamita een belangrijk probleem zijn bij aquariumvissen en zonder meer veel weefsels kunnen infecteren is hun relatie tot gatenziekte op zijn minst twijfelachtig, dit is nooit wetenschappelijk aangetoond.
Er zijn theoriën dat gatenziekte wordt veroorzaakt door een mineralenonbalans wat resulteert in skeletbeschadigingen, wat leid tot gaten. Ook wordt er gespeculeert dat stevige flagelaatinfecties van de darm een slechte opname van mineralen kan veroorzaken wat weer leid tot die mineralenonbalans. (Untergasser 1991). Klinische impressies doen vermoeden dat sommige soorten van stress zoals overbevolking, slechte waterkwalteit en ongeschikte voeding vissen extra blootstellen aan een gatenziekte. Aangezien gatenziekte hoofdzakelijk voorkomt bij oudere vissen zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat het te maken heeft met een afname van de weerstand (wat normaal is in oudere vissen) .
De gebruikelijke behandeling richt zich hoofdzakelijk op het bestrijden van flagelaten (zoals hexamita en spironucleus) hoewel er geen bewijs is dat dit aanwezig is in de gaten (Ferguson 1988, Noga 1999). Het si echter van het grootste belang dat de leefomgeving van de vissen verbeterd wordt met name door het voorkomen van overbevolking, het doen van regelmatige waterverversingen en het aanbieden van een geschikt en gevarieerd dieet. Er wordt ook gezegd dat een voedingssupplement van calcium/fosfor en vitamine D vissen kan genezen (Untergasser 1991).